stekker
mannelijk (de)/ˈstɛkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (elektrotechniek) het verharde uiteinde aan één of meerdere geleidende draden bedoeld om in een stekkerdoos gestoken te worden en elektrisch contact te makenHaal de stekker even uit het het stopcontact!
Etymologie
* van steken
Uitdrukkingen
- de stekker ergens uittrekken — er mee ophouden
Vertalingen
Engelsplug, electric plug
DuitsStecker
Spaansenchufe
Poolswtyczka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek