connector

mannelijk (de)/kɔ'nɛktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektrotechniek (elektrotechniek) verbindingsstuk (stekker, contrastekker) die een elektrische verbinding tot stand brengt tussen vele adertjes (die ook weer los genomen kan worden)
  2. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) verbindingsstuk om onderdelen mechanisch te koppelen

Etymologie

*afgeleid van het Engelse 'connector'

Vertalingen

Engelsconnector
Fransconnecteur
DuitsKonnektor
Spaansconector