plug

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) cilindertje van kunststof of hout dat in een in steenachtig geboord gat wordt aangebracht en waarin een schroef kan worden gedraaid
  2. techniek (techniek) (banaan)stekker
  3. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) bout (om een vloeistofvat af te sluiten), stop [3]
  4. scheldwoord, verouderd (scheldwoord), (verouderd) lummel, ploert

Etymologie

* In de betekenis van ‘wig, prop’ voor het eerst aangetroffen in 1510. Herkomst onduidelijk; mogelijk van plag in de bet. "lap, vod". Buiten het Germaans zijn er geen cognaten bekend.

Vertalingen

Engelsplug, stopper
Spaansclavija, pasador, taco