plug
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) cilindertje van kunststof of hout dat in een in steenachtig geboord gat wordt aangebracht en waarin een schroef kan worden gedraaid
- (techniek) (banaan)stekker
- (werktuigbouwkunde) bout (om een vloeistofvat af te sluiten), stop [3]
- (scheldwoord), (verouderd) lummel, ploert
Etymologie
* In de betekenis van ‘wig, prop’ voor het eerst aangetroffen in 1510. Herkomst onduidelijk; mogelijk van plag in de bet. "lap, vod". Buiten het Germaans zijn er geen cognaten bekend.
Vertalingen
Engelsplug, stopper
Spaansclavija, pasador, taco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek