staat

mannelijk (de)/stat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. regering, geopolitiek (regering), (geopolitiek) binnen een afgebakend grondgebied werkzame, in hoge mate soevereine organisatie die gezag uitoefent over de op dat grondgebied wonende bevolking
    De Verenigde Staten zijn de machtigste staat ter wereld.
    Het pad voor me, niet meer dan 25 cm breed, zou mij door de staten Californië, Oregon en Washington leiden.
zelfstandig naamwoord
  1. toestand of gesteldheid
    De staat van dienst van premier Van Rompuy is onberispelijk.
    Dit was wel het laatste waar ik op dit moment op zat te wachten in mijn huidige, onzekere staat.
zelfstandig naamwoord
  1. overzicht of lijst van iets, vooral van bedragen, baten en lasten

Etymologie

* In de betekenis van ‘land’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599

Uitdrukkingen

  • Een grote staat voerenVeel geld uitgeven
  • In staat [om]De mogelijkheid hebbend
  • in staat stellende mogelijkheid geven iets te doen
  • In staat zijniets kunnen doen
  • Op iemand staat kunnen makenOp iemand kunnen vertrouwen/rekenen
  • De deur staat op een kiertje.
  • De telefoon staat roodgloeiend.
  • Iets staat hoog in het vaandel.

Vertalingen

Engelsstate, state
FransÉtat, état
DuitsStaat, Zustand, Erfahrung
Spaansestado, estado
Italiaansstato, stato
Portugeesestado
Russischгосударство, держава, государство
Japans国, 国家, 国
Poolsstan, stan
Zweedsstat, rike, stat
Deensstat, stat