lijst
mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛist/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een opsomming van zaken die onder elkaar staanIk heb die belangrijke lijst thuis laten liggen.Het stond in ieder geval hoog op mijn lijstje en ik was erg benieuwd wat het met me zou doen, vooral mentaal gezien.Toch had ik haar hele lijst integraal ingekocht in een gigantische supermarkt in San Diego, genoeg voor de eerste zeven weken.
- een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderijKijk toch eens naar die mooie lijst om dat portret.
- een kader of omtrekOp die afbeelding hebben alle afbeeldingen een lijst.Dat er geen lijst omheen zit, is jammer.Hoeveel geld heeft hij nog meer op zak als hij op straat rondloopt? Ze kijkt toe als hij de vergulde lijst van de muur haakt.
- (bouwkunde) een vooruitspringende rand aan een gebouwDe lijst van die gevel is niet erg mooi.
Etymologie
* In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Vertalingen
Engelslist, frame, framework
DuitsListe, Bilderrahmen, Rahmen
Spaanslista, marco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek