slipper

mannelijk (de)/ˈslɪpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) licht schoeisel zonder of met open hiel
zelfstandig naamwoord
  1. touwwerk dat onvoldoende geschikt is om te voorkomen dat iets een glijdende beweging maakt
  2. figuurlijk (figuurlijk) heimelijke korte afwezigheid door stiekem even weg te gaan
  3. figuurlijk (figuurlijk) iets wat niet werkt als bedoeld
zelfstandig naamwoord
  1. spoorwegen (spoorwegen) stevige balk waarop de rails in de grond zijn bevestigd

Etymologie

*[D] verbastering van "sleeper"

Vertalingen

Spaanschancleta, chinela, zapatilla