biels
mannelijk/vrouwelijk (de)/bils/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spoorwegen) houten dwarsligger gebruikt bij aanleg van spoorwegen
Etymologie
*"biel" met de uitgang -s, van "bille", in de betekenis van ‘dwarsligger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914; omdat het vaak gebruikte "biels" niet als meervoud werd herkend, is het gestapelde meervoud "bielzen" in zwang gekomen
Vertalingen
Engelsrailroad tie, railway sleeper
Spaanstraviesa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek