slempen

/ˈslɛmpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) onmatig eten of drinken
    Nadat Jan rijk werd teerde hij zijn dagen met slempen.
  2. ov (ov) aarde bewateren zodat deze goed aaneensluit
  3. ov (ov) geulen met zand en water vullen zodat het zand goed aaneensluit

Etymologie

*mogelijk al in het Middelnederlands of van "slemmen", vergelijk ook "Schlamm" "modder", misschien een (klanknabootsing)

Vertalingen

Duitsschlemmen, schmausen