sjouw
mannelijk (de)/ʃɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zware last om te verplaatsenGrace verkoopt gehaakte beddenspreien in Juba. Na een reis van vier dagen kwam ze in Juba aan, de hoofdstad van Zuid-Soedan: eerst vanuit haar woonplaats Kampala in één nacht naar Kenia waar ze de dekkleden kocht, toen met haar zakken handelswaar op sjouw terug naar de Oegandese hoofdstad Kampala en vandaar in twee dagen naar Juba.
- (metonymisch) grote inspanningEn waar verschonen twee vaders hun kind? Of de man die op zijn ‘papadag’ in zijn eentje met de baby op sjouw is?
- (scheepvaart) gedeeltelijk in opgerolde staat vastgesnoerde vlag, gehesen als signaal dat hulp gewenst is
Etymologie
* "sjouwen" zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek