sjouw

mannelijk (de)/ʃɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zware last om te verplaatsen
    Grace verkoopt gehaakte beddenspreien in Juba. Na een reis van vier dagen kwam ze in Juba aan, de hoofdstad van Zuid-Soedan: eerst vanuit haar woonplaats Kampala in één nacht naar Kenia waar ze de dekkleden kocht, toen met haar zakken handelswaar op sjouw terug naar de Oegandese hoofdstad Kampala en vandaar in twee dagen naar Juba.
  2. metonymisch (metonymisch) grote inspanning
    En waar verschonen twee vaders hun kind? Of de man die op zijn ‘papadag’ in zijn eentje met de baby op sjouw is?
  3. scheepvaart (scheepvaart) gedeeltelijk in opgerolde staat vastgesnoerde vlag, gehesen als signaal dat hulp gewenst is

Etymologie

* "sjouwen" zonder de uitgang -en