sjouwerij

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zware, noeste arbeid
    Die weefgetouwen zal ik nog veel sjouwerij aan hebben, maar de dingen zijn in de natuur zoo almachtig mooie gevallen, al dat oude eikenhout tegen een grijsachtigen muur, dat ik zeker geloof het goed is ze eens geschilderd worden. Nuenen December 1883 - november 1885 [https://www.dbnl.org/tekst/gogh006brie02_01/gogh006brie02_01_0003.php Brieven aan zijn broeder. Deel 2(1914)–Vincent van Gogh]
    Om het te schilderen was een sjouwerij. Er zit in den grond anderhalve groote tube wit; toch is die grond zeer donker. Verder rood, geel, bruin, oker, zwart, terre-sienne, bistre, - & 't resultaat is een roodbruin, doch dat varieert tot diep wijnrood en tot bleek blond rosachtig toe. (1893)– [tijdschrift] Van Nu en Straks [https://www.dbnl.org/tekst/_van002189301_01/_van002189301_01_0014.php [Brieven en platen van Vincent van Gogh]]
    Onze professoren, te weinig in getal, zijn daardoor te veel met bezigheden overladen; de kollegiën worden zoo doende soms niet en soms te vlugtig gegeven. Speciale zorg voor de leiding der studie van enkelen vervalt bijna geheel. Het wordt eene slaafsche sjouwerij, om het groote wetenschappelijke veld, dat ieder voor zijne rekening heeft, in eenen bepaalden tijd te bewerken en gedaan te krijgen; diepte en naauwkeurigheid mist men. (1845)– [tijdschrift] Gids, De [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001184501_01/_gid001184501_01_0004.php Bijdragen tot geneeskundige staatsregeling. Iste, IIde en IIIde Deel. Van het Iste 4 stukken, 260 bl.; van het IIde Deel 3 stukken, 220 bl.; van het IIIde Deel, 1ste stuk 89 bl. Amsterdam, Johannes Müller.]

Etymologie

* afleiding van sjouwen