sjouwen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. lopen met een zware lading
    Hij liep met zakken aardappelen te sjouwen.
    Er zou die dag namelijk pas na 32 kilometer water te vinden zijn, waardoor ik zeven liter water boven op mijn basisuitrusting mee moest sjouwen.

Etymologie

*>: skiāva: schuiven

Vertalingen

Engelshaul, carry
Franstrimballer, traîner
Duitsschleppen
Spaanscargar
Zweedskånka