schipbreuk

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɪbrøk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
    De Poolse vloot leed schipbreuk.
  2. figuurlijk (figuurlijk) falen, mislukking, ondergang
    Schipbreuk van de beschaving.

Vertalingen

Engelsshipwreck
Fransnaufrage
DuitsSchiffbruch
Spaansnaufragio, zozobra
Portugeesnaufrágio
Russischкораблекрушение