schicht

mannelijk (de)/sxɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plotselinge sterke lichtstraal zoals bij de bliksel
  2. bloeiwijze, waarbij de zijassen beurtelings links en rechts ontspringen van de vorige as
  3. plotselinge onverwachte beweging of gebeurtenis
    Na een moeilijke eerste helft onder dreigende onweerswolken zette een schicht van Mirallas Everton op weg naar een 0-3 overwinning. Na een mooie individuele actie poeierde de Rode Duivel de bal hard in de winkelhaak. de Standaard 20/juli/2017 door drps
    Zlatan Ibrahimovic zei dat hij ontroerd was door de staande ovatie waarop het hele stadion hem trakteerde na zijn magistrale derde doelpunt in de wedstrijd tegen Anderlecht. Een schicht, een fluorescerende streep van Mondriaan, meetkunde met de snelheid van het licht, you name it. Volkskrant Hugo Camps 26 oktober 2013
  4. puntig projectiel dat uit de hand geworpen of met een boog geschoten wordt
    Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht, noch pantsier. Statenvertaling Job 41:173

Etymologie

* van Middelnederlands "scicht", in de betekenis van ‘pijl’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsflash