flits

mannelijk (de)/flɪts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een korte uitbarsting van licht of een ander elektromagnetisch verschijnsel
    Een flits aan de horizon was de eerste aankondiging van het komende onweer.
    Hier en daar een korte flits als de zon op de romp van een vliegtuig weerkaatst.
  2. een kortdurend maar heftig evenement
    In een flits van woede duwde ik Quicks woorden weg.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kort schijnsel’ voor het eerst aangetroffen in 1555

Vertalingen

Engelslightning
Franséclair, éclair
Spaansfogonazo