schil
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meestal makkelijk te vervormen) buitenlaag van bepaalde vruchten of knollenEen appel met schil eten kan geen kwaad als het fruit goed gespoeld wordt.
- shellMet Windows werd bovenop DOS een grafische schil geplaatst.
- elektronenschil
Etymologie
* In de betekenis van ‘buitenste bekleding van een vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Engelsrind, peel
Franspelure, épluchure
DuitsRinde, Schale
Spaanscáscara
Italiaansbuccia
Portugeescasca
Poolsskórka, łupina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek