Schild
onzijdig (het)/sxɪlt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordtDe krijgers sloegen met hun speren op hun schilden om zichzelf moed en de vijand schrik in te boezemen.
- (dierkunde) harde buitenkant die de rest van het lichaam van sommige dieren beschermtSchildpadden hebben een schild.
- bord met een opschrift
Etymologie
* In de betekenis van ‘verdedigingswapen, plaat’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- Iets in zijn schild voeren — Iets stiekems van plan zijn
- Op het schild hijsen — Ophemelen
Vertalingen
Engelscarapace, protection, shell
DuitsSchild
Spaanscaparazón, escudo, mantelete
Russischщит, щит
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek