schafttijd

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rusttijd tijdens het verrichten van arbeid waarin de arbeiders ook wat kunnen eten en drinken
    Al fotograferend sneed hij dat los van de werkelijkheid, en vroeg op die manier aandacht voor het onaanzienlijke. Een verlaten houten tafel na schafttijd; de verfrommelde broodzakken en lege melkflessen er nog op. Diffuus licht valt door de hoge fabrieksramen over de tafel, blijft liggen op de rand van de flessen. Reformatorisch Dagblad Christine Stam-van Gent 26-08-2013 [https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/fotograaf-philip-mechanicus-zag-het-bijzondere-in-het-gewone-1.332963 Fotograaf Philip Mechanicus zag het bijzondere in het gewone]
    Ze zitten hier, op hun koelbox met bammetjes en een thermosfles koffie, omdat het nu eenmaal half tien is. Waar ze ook werken, voor de drie bouwvakkers van De Jong Afbouw uit Bergambacht is het om half tien schafttijd. Altijd. de Tubantia Jeroen Schmale 10-01-18 [https://www.tubantia.nl/binnenland/mini-prinsjesdag-een-goed-bewaard-koninklijk-geheim~ac05af06/ Mini-Prinsjesdag, een goed bewaard koninklijk geheim]

Vertalingen

Engelsbait-time, lunch hour, lunch break