schaft

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɑft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderbreking van de arbeid voor het nuttigen van een maaltijd
    De schaft werd daardoor een kwartiertje uitgesteld.
  2. scheepvaart (scheepvaart) schachtvormig deel van een anker
    Het anker bestaat uit twee stukken behalve de steel; de schaft wordt door eene spil vereenigd met de armen, zijnde het eene uiteinde van de schaft vorksgewijze gemaakt om de armen te omvatten.blz 423 Jaarboekje van de wetenschappen en kunsten. Vierde jaargang 1850
  3. massieve deel van een vogelveer tussen spoel en vlag