royalty
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɔjəlˌti/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vergoeding om iets te mogen gebruiken m.n. in het kader van intellectueel eigendomIn 1997 nam de zanger een drastische stap. Hij besloot de zogeheten Bowie Bonds in te stellen. Daarbij kregen investeerders recht op de royalty-opbrengsten van zijn liedjes gedurende tien jaar. Na die periode kreeg Bowie zelf de rechten weer in handen. Tubantia 12-januari-2017
- lid van de koninklijke familieDe sportiviteit van de man ontging ook prins Harry, prinses Kate en prins William niet. De royalty's stonden aan de finish om de lopers te begroeten en trakteerden Rees op een applaus. Beide mannen finishten de marathon uiteindelijk onder de drie uur. de Standaard 24/april/2017 door jtpEen ding is zeker: niemand weet wat ze kiest. De kleding blijft tot het laatste uur net zo geheim als de trouwjapon van prinses Kate of de inhuldigingsjurk van Koningin Máxima. En, neen, die vergelijking is geen majesteitsschennis, want bij gebrek aan koningshuis wordt het echtpaar vanaf vandaag de facto 'Amerikaanse royalty. Tubantia Eefje Oomen 19-januari-17
Etymologie
* uit het Engels
Vertalingen
Engelsroyalty
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek