rijkdom

mannelijk (de)/ˈrɛiɡdɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het bezitten van veel geld en goud
    Hij leefde in grote rijkdom.
    De broeders vonden het ontoelaatbaar dat ze van het toppunt van waardigheid, invloed, macht en al die rijkdom naar beneden tuimelden door de lectuur van één boekje; daarom vielen ze de auteur aan.
    Het was vooral een herinnering aan al die dingen waaraan hij vermeed te denken, de laatste jaren tenminste, aan hoe makkelijk het was geweest om van armoede tot rijkdom te komen, al hield hij niet van dat woord.
  2. het bezitten van andere waarden zoals geluk
    Hij had niet veel geld, maar beschouwde zijn gezin en zijn gezondheid als rijkdom.
  3. gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
    De rijkdommen die hij daar te zien kreeg, verbijsterden hem.
  4. overvloed
    In het oerwoud is een rijkdom van bomen en planten te vinden.

Etymologie

*Afgeleid van rijk .

Uitdrukkingen

  • Klein gewin brengt rijkdom in. -- Kijk niet neer op kleine inkomsten
  • Rijkdom en een dubbeltje kennen elkander. -- Kijk niet neer op kleine inkomsten

Vertalingen

Engelswealth
Fransrichesse
DuitsReichtum
Spaansriqueza