armoede
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑrəmude/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeftDe armoede van het gezin was schrijnend nadat beide ouders hun werk verloren.Armoede is een relatief begrip, de arme van nu leeft comfortabeler dan de rijke van 100 jaar geleden.De blik in zijn ogen hield het midden tussen gêne en schaamte. De wanstaltige gedaante van armoede die openlijk aan hem voorbijtrok was hier verantwoordelijk voor.
Etymologie
* uit het Oudnederlands
Vertalingen
Engelspoverty
Franspauvreté
DuitsArmut
Spaanspobreza, penuria
Italiaanspovertà
Poolsbieda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek