rat

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. knaagdieren (knaagdieren) muisachtig knaagdier uit het geslacht dat vaak gezien wordt als ongedierte
    Er liep een rat in de winkel rond.
    Ik zag de ratten niet die in het donker rondrenden, noch hoorde ik het geknars van termieten die zich te goed deden aan dakspanten en schoren. Ik voelde de klimop niet die aan de stenen trok en de torens in zand veranderde.
  2. figuurlijk (figuurlijk) door ervaring listig persoon
    Wat een rat is die Johan toch!
  3. figuurlijk, scheldwoord (figuurlijk), (scheldwoord) verraderlijk, onbetrouwbaar persoon
    Hij heeft maandenlang van alles beloofd, maar nu het erop aankomt laat die rat hem gewoon in de steek.

Etymologie

*van Middelnederlands "ratte", in de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Van de ratten besnuffeld/gebeten zijnGek zijn, niet goed wijs zijn

Vertalingen

Engelsrat
Fransrat
DuitsRatte
Spaansrata
Italiaanstopo, ratto
Portugeesrato
Russischкрыса
Japansラット
Koreaans
Turkssıçan
Poolsszczur
Zweedsråtta
Deensrotte