rancher
mannelijk (de)/ˈrɛntʃər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Amerikaanse) vee- en paardenfokker; bezitter van een ranchDinsdagavond arresteerde de FBI acht bezetters bij een verkeerscontrole. Een negende bezetter werd daarbij doodgeschoten, vermoedelijk in een vuurgevecht. Het bleek om een van de meest markante figuren uit de club van bezetters te gaan, de 54-jarige rancher LaVoy Finicum.In het zuiden van Brazilië experimenteert een rijke rancher met natuurbescherming, ecotoerisme en veeteelt. Het resultaat is spectaculair.
Etymologie
* uit het Engels
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek