prang
mannelijk/vrouwelijk (de)/prɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- voorwerp dat klemt
- (figuurlijk) situatie waarin men vastzit in een onaangename situatie
Etymologie
*: "prangen" zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*: "prangen" zonder de uitgang -en