pramen

/ˈpramə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) heftige druk uitoefenen op (zowel letterlijk als figuurlijk opgevat)
    Onbekenden hebben geprobeerd in te breken in een woning door de achterdeur open te pramen.
    Laurette Onkelinx meldde gisteren dat het ontbreken van een akkoord met Electrabel niet noodzakelijk een probleem hoeft te zijn. Met als adagio: als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Voor de poort van de zestien meldde ze dat er nog altijd een heffing opgelegd kan worden aan Electrabel als de Suezdochter niet tot een vrijwillige compensatie te pramen is.
    Of is het niet de grootste onbeleefdheid en onbescheidenheid, iemand met geweld te pramen meer te drinken, dan hy verdragen kan en zich ontevreden tegen hem toonen, indien hy het niet doet.

Etymologie

*: "praam" met de uitgang -en