portiek

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) (gemeenschappelijke) woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn, dat via een trap, of rechtstreeks, toegang geeft tot een of meerdere huisdeuren
  2. bouwkunde (bouwkunde) open overdekte zuilengang of galerij voor of op zij van een gebouw, zuilengalerij

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open portaal’ voor het eerst aangetroffen in 1696

Vertalingen

Engelsporch, portico
Fransporche, portique
Spaansportal, pórtico