portiek
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) (gemeenschappelijke) woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn, dat via een trap, of rechtstreeks, toegang geeft tot een of meerdere huisdeuren
- (bouwkunde) open overdekte zuilengang of galerij voor of op zij van een gebouw, zuilengalerij
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open portaal’ voor het eerst aangetroffen in 1696
Vertalingen
Engelsporch, portico
Fransporche, portique
Spaansportal, pórtico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek