plurk
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lomp en onbeleefd persoon"Soms denk ik: je bent echt een onbehouwen, vervelende, asociale plurk. En dan belt zo’n kerel op. 'Hé, shit man, dat het zo gelopen is. Zeg, vanavond Champions League. Zullen we eerst een biertje doen en dan de wedstrijd kijken?' Dat is het cliché, maar zo werkt het echt."Er komt een dag dat Duitsers ons niet meer schattig en zo leuk recht-op-de-man-af vinden, maar dat ze ons zien als de verschrikkelijke plurken die we zijn.Nelleke Geel grossiert intussen in Zweedse plurken en 100-jarige mannen die uit het raam klimmen.
- eerstejaars student
Etymologie
* Oorspronkelijk gebruikt door soldaten en studenten in Nederlands-Indië; bekend sinds begin 20e eeuw. Vermenging van schurk "boef" en een ander woord (proleet of ploert).
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek