hork
mannelijk (de)/ˈhɔrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) iemand die zich onaangenaam gedraagt door zich niet aan de normale omgangsvormen te houdenVan hem heb ik geleerd los te laten als dat nodig is. Toen ik begon met leidinggeven was ik echt een hork van een manager. Een onwijze controlfreak. Alles wat de deur uitging, wilde ik zien. En dan ontdekte ik natuurlijk altijd fouten.
Etymologie
* via (hourek) "onaangenaam persoon, slecht mens" van "חוֹרֵג" (horeg) "afwijkend; crimineel; stief-"; in de betekenis van ‘lomperd’ voor het eerst aangetroffen in 1900
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek