hurk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhʏrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust
    Soms is het lastig weer uit een hurk overeind te komen.
    Eerst hadden we nog een poging gedaan om de boer, die enkel een lendendoek droeg, duidelijk te maken dat hij naar het naaste dorp moest lopen om hulp te halen; maar hij was niet uit de diepe hurk te krijgen waarin hij aanstonds was neergezonken.
    {{ouds
  2. verouderd (verouderd) een kind zo klein als iemand die op zijn hurken rust
    Hij was nog maar een hurkje.
zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) iemand die zich onaangenaam gedraagt door zich niet aan omgangsvormen te houden
    Wat een hurk van een vent is dat, zeg...
    {{ouds

Etymologie

*[B] via (hourek) "onaangenaam persoon, slecht mens" van "חוֹרֵג" (horeg) "afwijkend; crimineel; stief-"

Uitdrukkingen

  • op de hurken