pluis
mannelijk/vrouwelijk (de)/plœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vlok droge, lichte stof met een open structuurEen trui vol pluizen.
zelfstandig naamwoord
- droge, lichte stof met een open structuurEr zweven momenteel zoveel pluisjes rond, is dat een teken dat er veel stuifmeel in de lucht zit? Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen.
Etymologie
*: "pluizen" zonder de uitgang -en
Vertalingen
Engelsfluff, pill, safe
Fransflocon, sûr
DuitsFlocke, sicher
Spaanscopo, pelusilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek