dot

mannelijk/vrouwelijk (de)/dɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
    "Mag ik die dot wol eens zien?".
  2. (meestal verkleinwoord) iets kleins en liefs
    Wat een dotje!

Etymologie

* In de betekenis van ‘pluk’ voor het eerst aangetroffen in 1554

Vertalingen

Engelstuft, knot, darling
Franstouffe, amour, chou
DuitsDutt, Knäuel, Tupfer