pistolet
mannelijk (de)/ˌpistoˈlɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) broodje met een kanpperige korst, in België rond, in Nederland langwerpig, met bovenop een groefDat de heer Vanderhaegen hardnekkig zijn onzin blijft verkondigen dat de Vlamingen geen Nederlands mógen spreken, dat ze hun volksaard, wat dat dan ook moge wezen, verraden als ze een "broodje" in plaats van een "pistolet" nuttigen, niets aan te doen.
- oud type handvuurwapen met een korte loopCéline vertelde mij dat hij daar altijd met zijn pistolet in de aanslag liep, al wist hij ook dat hij verloren was wanneer hij een schot zou lossen. Een menigte in razernij kan men gemakkelijk met enkele dragons met jagende paarden en sabels de baas blijven, maar een man op zijn eentje te voet is verloren, hoelang hij ook zou kunnen schieten.
- (numismatiek) benaming voor de Spaanse escudo en vergelijkbare gouden munten uit Frankrijk en ItaliëZij waren vol lof over de verhuurder, wensten mij geluk met mijn begeleider en bevalen mij bij de verhuurder aan. Deze vroeg mij een paar keer of ik ook een pistolet - een vrij zeldzame munt - bezat.
Etymologie
*[3] herkomst niet zeker, misschien van "piastola", verkleinwoord van "piastra", een benaming voor de Spaanse munt van 8 escudo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek