pinkelen

/ˈpɪŋkələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. knipperen met de ogen
    Inger pingelde tegen de zon.
  2. flikkeren
    Ik kijk naar de klare morgenhemel waar nog een paar sterren pinkelen, en lach.

Etymologie

*(freqtt) pinken