pink
mannelijk (de)/pɪŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) de vijfde, kleinste en buitenste vinger
- (veeteelt) éénjarig kalf dat nog alle melktanden heeft
- (scheepvaart) type vissersvaartuig
- kort moment, ogenblik, oogwenk
Etymologie
* herkomst onzeker, in de betekenis van ‘vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Uitdrukkingen
- Als je hem één pink[/vinger] geeft, dan neemt hij de hele hand. — Hij misbruikt kleine gunsten om veel meer te willen/eisen dan toegestaan.
- Daar zou ik mijn pink wel voor willen geven/missen — Dat zou ik erg graag willen hebben
- Iemand om zijn pink winden — Iemand volledig inpalmen, voor zich winnen
- Bij de pinken zijn — Erg pienter, bijdehand zijnPinken houdt hier vermoedelijk verband met een Bargoens woord voor geld.
Vertalingen
Engelslittle finger, pinky
Franspetit doigt, auriculaire
Duitskleine Finger
Spaansdedo meñique
Italiaansmignolo
Portugeesdedo mínimo, mínimo, dedo auricular
Russischтёлка
Japans小指
Koreaans새끼손가락
Turksserçeparmak
Poolspalec mały
Zweedslillfinger
Deenslillefinger
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek