pindakoek

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. koek waarin hele pinda's zijn meegebakken
    Julia en ik liepen hand in hand naar de keuken en deelden een pindakoek.
    „Ik droeg geen blauw-zwarte sjaal van de hockeyclub en had geen dubbeltje voor een pindakoek in de pauze. Ik paste daar niet tussen en na vier jaar heb ik de hbs verlaten. Vier jaar hbs stond destijds gelijk aan een ulo-diploma en gaf me de mogelijkheid naar de kweekschool in Doetinchem te gaan.”