pindachinees
mannelijk (de)/ˈpɪndaʃiˌnes/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) iemand uit China die in de jaren 30 van de 20e eeuw pindakoekjes op straat verkochtEn reeds was het fototoestel in het foudraal aan het verdwijnen, toen de pindachinees op de vlakte verscheen.Op den Rijksweg werd een z.g. pinda-Chinees door een wielrijder omver gereden waarbij hij dusdanige verwondingen opliep, dat hij naar het ziekenhuis in Rotterdam moest worden vervoerd.Je hebt beslist de hele dag in de zon liggen braden, beweerde Willy, want anders kon je er nooit zo „gebakken" uitzien.... je lijkt wel een pindachinees. Jan, de loopjongen, die juist met een stofdoek bezig was, lachte en begon te zingen: „Pinda, pinda, lekka, lekka.... als je maar twee centjes biedt!"
- (scheldwoord) iemand met een Oost-Aziatisch uiterlijkMisschien begon het ooit met pindachinees en poepchinees , volgens Van Dale „goedmoedige beledigingen wegens een lichtbruine huidskleur” en kende het een voorlopig dieptepunt met de kutmarokkaan.De jongelui genieten nu zeker een internationale reputatie en de onvoldaanheid van den bij den Volkenbond geaccrediteerden Chineeschen journalist Fang Leng Tsiosa over onze „pindachinees"-scheldende straatjeugd is dan ook heusch geen klacht, die men niet au sérieux zou behoeven te nemen.
Uitdrukkingen
- rare pindachinees — vreemde snuiter
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek