pijporgel
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een toetsinstrument met een of meer reeksen van afgestemde pijpen waardoor lucht wordt geblazen. Voor de toonopwekking zijn de pijpen voorzien van een labium zodat, op dezelfde wijze als bij een blokfluit, een trillende luchtkolom ontstaatEen kerkorgel is meestal een pijporgel .
Vertalingen
Engelspipe organ
Fransorgue à tuyaux
DuitsOrgel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek