pijporgel

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een toetsinstrument met een of meer reeksen van afgestemde pijpen waardoor lucht wordt geblazen. Voor de toonopwekking zijn de pijpen voorzien van een labium zodat, op dezelfde wijze als bij een blokfluit, een trillende luchtkolom ontstaat
    Een kerkorgel is meestal een pijporgel .

Vertalingen

Engelspipe organ
Fransorgue à tuyaux
DuitsOrgel