pas
mannelijk (de)/pɑs/
Betekenis
tussenwerpsel
- om aan te geven dat men de beurt voorbij laat gaan.Ik kan geen goede zet doen. Pas!
zelfstandig naamwoord
- het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.Let op je passen en trap niet in die hondendrol!
- manier van lopen.Vertraag je pas eens zodat de rest van de groep kan volgen.
- door een overheid verkregen identiteitsbewijs.Laat je pas eens zien, onder de 18 jaar mag je hier niet binnen.
- doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.Die pas voerde hen over de bergkam heen.
- (in België) (sport) schot naar een medespelerDe voetballer geeft een pas naar zijn ploeggenoot.
- (dans) een sierlijke stap gedaan door een artiest op het podium
Etymologie
#in nog hogere mate.
Uitdrukkingen
- Pas uit de dop komen — nog niet lang ergens aan deelnemen
- Ergens bij te pas komen — Ergens bruikbaar, handig voor zijn
- Geen pas geven — Niet zijn zoals het hoort
- Iemand de pas afsnijden — Iemand de voortgang belemmeren (ook fig.)
- Kwalijk te pas zijn — Er slecht aan toe zijn
- Te pas en te onpas — Zo nu en dan
- Van pas komen — Bruikbaar, handig zijn
Vertalingen
Engelsjust, only just, only
Fransvenir de, récemment, ne que
Duitserst, Pass, Pass
Spaanssólo, recién, hace un momento
Russischпаспорт, перевал, пас
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek