pas

mannelijk (de)/pɑs/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. om aan te geven dat men de beurt voorbij laat gaan.
    Ik kan geen goede zet doen. Pas!
zelfstandig naamwoord
  1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
    Let op je passen en trap niet in die hondendrol!
  2. manier van lopen.
    Vertraag je pas eens zodat de rest van de groep kan volgen.
  3. door een overheid verkregen identiteitsbewijs.
    Laat je pas eens zien, onder de 18 jaar mag je hier niet binnen.
  4. doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.
    Die pas voerde hen over de bergkam heen.
  5. sport (in België) (sport) schot naar een medespeler
    De voetballer geeft een pas naar zijn ploeggenoot.
  6. dans (dans) een sierlijke stap gedaan door een artiest op het podium

Etymologie

#in nog hogere mate.

Uitdrukkingen

  • Pas uit de dop komennog niet lang ergens aan deelnemen
  • Ergens bij te pas komenErgens bruikbaar, handig voor zijn
  • Geen pas gevenNiet zijn zoals het hoort
  • Iemand de pas afsnijdenIemand de voortgang belemmeren (ook fig.)
  • Kwalijk te pas zijnEr slecht aan toe zijn
  • Te pas en te onpasZo nu en dan
  • Van pas komenBruikbaar, handig zijn

Vertalingen

Engelsjust, only just, only
Fransvenir de, récemment, ne que
Duitserst, Pass, Pass
Spaanssólo, recién, hace un momento
Russischпаспорт, перевал, пас