partner

mannelijk (de)/ˈpɑrtnər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft, zakenpartner, handelspartner
    Zijn partners waren niet bereid nog meer geld in de zaak te steken.
  2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. iemand met wie men een vaste (huwelijkse of romantische) relatie heeft
    Komt uw partner ook mee?
    Door tijdelijk afstand van je vertrouwde leven te nemen en door zonder je partner op pad te gaan, krijg je tijd en ruimte om je leven vanuit een fris perspectief te bekijken, om de keuzes die je hebt gemaakt te analyseren en de tijd die voor je ligt te overdenken.

Etymologie

*Engels is een ontlening uit Oudfrans partener (= mod. Frans partenaire), die ook in het Middelnederlands geleend is als partenaer, partener (= mod. Ned. partenier 'partvaarder'). De latere vorm is partenaar 'deelgenoot', 'echtgenoot' "partenaar" in: http://gtb.inl.nl/iWDB/search?wdb=WNT&actie=article&uitvoer=HTML&id=M052403 (beïnvloed door partenaire), die thans vrijwel volledig door de Engelse term verdrongen is.

Vertalingen

Engelspartner, partner, partner
Franspartenaire, binôme, compagnon
DuitsPartner, Geschäftspartner, Partnerin
Spaanscamarada, compañero, camarada