paren

/ˈparə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) samen met iets of iemand anders een paar/koppel vormen
  2. ov (ov) koppelen, tot een paar maken, verbinden
    De chique, ruime schrijftafel van ebbenhout, die stijlvol was ingelegd met lichtere houtsoorten, die voor het raam was geplaatst naast de openslaande deuren naar het terras en die gepaard was aan een sobere maar degelijke en comfortabele houten bureaustoel uit de jaren dertig, had ik al meteen bij binnenkomst opgemerkt.
  3. intr, seksualiteit (intr) , (seksualiteit) seksuele gemeenschap hebben, vooral van dieren gezegd
    Een reusachtige oranjetip schiet er tussendoor en aan de overkant gebeurt ook iets. Daar heeft een zwart-witte page een vrouwtje gevonden om mee te paren. Beide vlinders zijn klaar om een nieuwe generatie te stichten.
    Ze grapte dat ze een zwarte weduwe was die haar mannetje na het paren opat.