opstoot
mannelijk (de)/ˈɔpstot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets wat snel en onverwachts krachtig komen maar even snel weer weggaat
- vuistslag naar boven, gericht op de kin van de tegenstander
- verstoring van de openbare orde
Etymologie
*: "opstoten" zonder de uitgang -en
Vertalingen
Engelsuppercut
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek