opgewondenheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
    Het gevoel van onberedeneerde schaamte dat zij onderweg gehad had en haar opgewondenheid waren geheel verdwenen.
    En als je me daar persoonlijk op aanspreekt, dan wil ik graag zeggen dat ik deze klus graag afmaak. Zonder anonieme berichten, zonder de opgewondenheid van mensen. Ik werk er ruim 30 jaar dus ik hoef mezelf helemaal niet te verantwoorden voor mijn liefde voor de publieke omroep.

Etymologie

* afleiding van opgewonden

Vertalingen

Engelslewdness, agitation, excitement