ongenade

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔŋɣəˌnadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. boosheid op een persoon die als gevolg daarvan een slechtere behandeling kan verwachten
    Inlichtingendiensten van Zuid-Korea en de VS vermoeden dat het regime in Noord-Korea achter de moord op de in ongenade geraakte Kim Jong-wan zit, die in het verleden kritiek had op zijn halfbroer.
    Niet alleen heeft hij geen spijt van de affaire, ook vindt hij een openbare boetedoening een uitwas van `deze puriteinse tijden'. Hij verliest zijn baan, reputatie, collega's en vrienden. Lurie omarmt echter zijn staat van ongenade. Zijn werk was onbevredigend, en misschien heeft hij nu eindelijk tijd om te schrijven.
  2. figuurlijk (figuurlijk) afkeer van iets
    In de Nederlandse huiselijke keuken lijkt de broodpudding in ongenade geraakt. Vinden we het een te rustiek en ouderwets gerecht?

Etymologie

*afgeleid van genade

Uitdrukkingen

  • in ongenade vallen