genade

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het afzien van een gerechtvaardigde bestraffing
    Dat was meer genade dan recht.
  2. een onverdiende gunst
    Het zijn poëtische offergaven: ze beginnen met een aanroep van de godheid, en meestal eindigen ze met een groet aan dezelfde god en een afsmeken van genade in ruil voor een nieuw lied voor de godheid.
    Maar er bestond geen redder in nood, fulmineerde Hansje, noch genade of verlossing.
  3. de onverdiende gunst of gave van God die de mens verheft en doet deelnemen aan het goddelijk leven

Etymologie

* In de betekenis van ‘gratie, gunst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Goeie/Grote genade!Uitroep van sterke verbazing en/of ontsteltenis

Vertalingen

Engelsabsolution, charity, grace
Spaansclemencia, gracia, misericordia