ongebondenheid
vrouwelijk (de)/ˌɔŋəˈbɔndə(n)ˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mate waarin men onafhankelijk is
- houding waarbij je weinig aandacht hebt voor de ernstige gevolgen van wat je doet
- blijk van onafhankelijkheid
Etymologie
* afleiding van ongebonden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek