autonomie
vrouwelijk (de)/ɑutonoˈmi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (politiek) gedeeltelijk zelfbestuur (met de mogelijkheid om zelf wetgeving te maken)Vlaanderen wil steeds meer autonomie.
- (filosofie) onafhankelijkheid (van de menselijke geest)Patiënten eisen steeds meer autonomie op, met name t.a.v. het eigen levenseinde, maar dat komt soms in conflict met de autonomie van hulpverleners.
- (techniek) zelfvoorzienendheid (onafhankelijk van externe 'input' en/of energie)De autonomie van dit bedrijf ging zover dat ze niet meer waren aangesloten op het stroomnet.
Etymologie
* Afgeleid van autonoom
Vertalingen
Engelsautonomy
Fransautonomie
DuitsAutonomie
Spaansautonomía
Poolsautonomia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek