vrijheid

vrouwelijk (de)/ˈvrɛihɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vrij zijn
    In Nederland is er vrijheid van meningsuiting.
    Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.
    Ik wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde.
  2. een privilege
    Hij kreeg de vrijheid om zich artistiek te uiten.
  3. sport (sport) een klein zeiljacht, gebouwd volgens de specificaties van de eenheidsklasse
    Een vrijheid was een houten jacht, maar wordt nu ook van polyester gemaakt.
  4. het in vrede kunnen leven
    Koning Willem-Alexander en koningin Máxima waren afgelopen weekend in Terneuzen. De koning gaf het startschot voor de viering van 75 jaar vrijheid. Want dit jaar is het 75 jaar geleden dat Nederland bevrijd werd.
  5. (het territorium van een) vrije stad zonder volledige stadsrechten (middeleeuws taalgebruik)

Etymologie

*Afgeleid van vrij

Uitdrukkingen

  • in vrijheid stellen
  • vrijheid van meningsuiting
  • vrijheid van godsdienst
  • vrijheid van drukpers

Vertalingen

Engelsfreedom
Fransliberté
DuitsFreiheit
Spaanslibertad
Italiaanslibertà
Russischсвобода
Turkshürriyet
Poolswolność