omranding

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. datgene wat de rand van iets vormt
    „Er zijn onwaarschijnlijk veel details te zien als je de gouache van dichtbij bekijkt. De omranding van de kleden is uitgewerkt met de dunste penselen. De voetjes zijn heel mooi gedetailleerd. De haartjes op de bulten zijn zo minuscuul getekend dat het aandoenlijk is. Dat laatste geldt ook voor de koppen en de staarten. NRC 4 april 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/04/04/ik-zie-ze-rondjes-draaien-marijke-van-warmerdam-1226878-a762716 Ik zie ze rondjes draaien Marijke van Warmerdam]
  2. iets met een rand omgeven

Etymologie

* afleiding van omranden

Vertalingen

Engelsframe work, border