rand

mannelijk (de)/rɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de buitenkant van een gebied of een ding
    Een stuk blik met scherpe randen.
    Alleen door het zwakke schijnsel van de afgeschermde lantaarns en de witte randen van de trottoirs kon je zien waar je liep.[http://www.dbnl.org/tekst/vrie040chaw01_01/vrie040chaw01_01_0003.php Leonard de Vries, Chaweriem (1955)]
  2. het extern gedeelte van de stad, beschouwd als zijnde onder invloed van het centrum
  3. de bovenkant van een bak of vat
    Tot de rand gevuld met soep.
    Hij staarde in een oude broodtrommel van email die tot de rand gevuld was met sleutels: lopers, steeksleutels, fietssleuteltjes en talloze andere.[http://www.dbnl.org/tekst/ombr001maal01_01/ombr001maal01_01_0017.php Ellen Ombre, Maalstroom (1992)]
    Daarna liet ik de toeristen al snel achter me en volgde ik de trail die helemaal langs de rand van de vulkaankrater liep.
  4. figuurlijk (figuurlijk) randgebieden of grensgebieden betreffend
  5. materiaalkunde (materiaalkunde) afvalmateriaal, overgebleven aan de zijkant van de strook, om een of meer uitgesneden producten heen
  6. gebruikt als randversiering of omlijsting bij behangselpapier
zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) een munteenheid in Zuid-Afrika formeel de Zuid-Afrikaanse rand

Etymologie

*[B] Leenwoord uit het Afrikaans, in de betekenis van ‘munteenheid van de Republiek van Zuid-Afrika’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961

Uitdrukkingen

  • van de hoed en de rand wetener alles vanaf weten
  • aan de rand van het graf staande dood nabij zijn
  • op de rand van de afgrondbijna ten onder gaan
  • Dat is op het randje.Het ligt op de grens van wat nog kan.
  • over het randje gaanhet is voorbij de grens wat nog kan
  • op den rand des verderfsden ondergang nabij

Vertalingen

Engelsborder
Fransbord
DuitsRand, Kante, Stadtrand
Portugeesaba
Poolsgranica