nooduitgang

mannelijk (de)/ˈnotœytxɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een weg waarlangs een ruimte in geval van nood verlaten kan worden en die als zodanig aangegeven is
    Deze deur is alleen een nooduitgang.
    De vlucht vanuit Manchester naar Islamabad (Pakistan) werd 7 uur vertraagd nadat een passagier per ongeluk een nooduitgang opende in plaats van de toiletdeur. Het voorval gebeurde net voor het opstijgen, waardoor de evacuatieglijbaan in werking trad. Tubantia Florian van Impe 10-06-19 [https://www.tubantia.nl/buitenland/vrouw-opent-per-ongeluk-nooduitgang-in-plaats-van-toilet-vlucht-7-uur-vertraagd~add9ba3a/ Vrouw opent per ongeluk nooduitgang in plaats van toilet, vlucht 7 uur vertraagd]